Skip to content

PWN – vlak 5

november 22, 2007

Er. Daar. De woordbreuk: die bibberlip
die spuughuig die blaaskeel die
longdrift dat tongsplijten van wind
in de wind.

Dit verhaal bekomt hem stilaan als een meshaal,
standhouden wordt knap lastig als de klank
& de zin als koedarmen uit koebuiken zijn ik
uitvallen.

Een kwak sjanker op tafel, een niet-aangesloten
serie singulariteiten: Izeganz met een resem
foutmeldingen op het scherm getiteld ‘Mijn
Herinneringen: Opties’.

Willie de Wael rekt plofjes knokelgas
uit zijn lange vingergewrichten. Daar. Er:

 

“De ether trest zich in uw haar tot klit
het wemelen der gronden versteent
waar gij zit, het vuur vervriest bij u
tot purperen stand, de baren braken

scherven spiegels grijswit op uw land:

  • BAARG
  • KENIM
  • WORTG
  • GRSAM

Slapen doen wij staande in het veld
Eten is ons ’t zout van zeewind op de tong
Verhalen ons vertellen niet het leven
Liederen ons zingen niet het leven
De handen ons in kruimels breken
de voeten ons in zwarte brokken breken
de woorden onze kelen als glas oprijten
het bloed ons in de grijphanden stelpt

de zin uit onze woorden breekt

wat ons verhalen?
wat ons toezingen?
welke markten gij ons nog/nu weer/weerom wilt opduwen?
hoe ons de zotskap nog opdwingen?

waar gij uw rechten haalt?
waar gij u de mond nog roeren durft?
welke eierschaal gij ongebroken laat
in uw hoovaardig boven onze asse zweven?

wij die uw doden zijn
wij die u maken
wiens brood gij eet
wiens naam gij dagelijks misbruikt
wiens leed gij ter uwer aanwendt
als ware het velours waarmede
gij uw zetels tooien kunt, u
het wegdeemsteren veraangenamen
in de sliertenbrij waarin gij
uw billen hebt te rotten gedraaid.

er zijn niet de tientallen monden die u wraken
er zijn niet de duizenden, miljoenen zijn er niet
wij spreken niet in een geruststellend legio
het is de ene mond slechts die u
langzaam met de vinger op & openroert
die dreigt u de mond te aaah-likken,
in het hol te spierzoeken, afbijten

de dappere tong die nu nog klakt van zo toch niet
het recht dat in dit striemen
u ter wille zwijgend wederspreekt

want neen gij hoort dit niet:

gij propt uzelven met uzelven
tot de barsten op, gij wikkelt
u ’t eigen roemen om de hals
tot het u nanekt tot in’t vals,
gij schroeft u d’ eigenwaan
als wazig dopje op de glazen

kop, gij ziet uzelf door u met
niets dan warr’ge letters ‘ik’
erop:

    • VRNZEUW
    • KWOLMNI
    • AAOERTGF

[…]

de stille draaaiing waar gij kleurenweelde vindt
verwekt de walg & ´t kreten van elk kind:

  • GMOEBKLAUIGH”

 

From → PWN - teksten

Reacties zijn gesloten.

%d bloggers op de volgende wijze: