Skip to content

“Niemand zal ontkennen”

november 21, 2007

Niemand zal ontkennen dat ik jullie Planeet Aarde aan mijn pink draag.

Omdat ik een vredelievend mens ben, ben ik vastbesloten om de gevatte frase “Kop eraf” om te vormen naar het niet minder gevatte “Snor eraf” en het gelijkstellen van stemmen met kanonnenvuur bekijk ik eerder sceptisch, een electoraat dat stemt bij geweerschot in de lucht: het is moeilijk missen als je naar de hemel mikt en dat maakt het inderdaad wel een goede stembus. De Kozakken tegen de slechterikken, de bazen. Ik herinner mij de verschrikkelijke doorbraak bij het fort, toen er slechts twee aanvallers waren uitgeschakeld, en de slaperige verdedigers verhieven hun stem met een nieuwe strijdkreet – “Vanka, ze schieten op ons!”- en ze grabbelden hun geweren en sloegen de aanval succesvol af.

Eén slachtoffer was er toch, met een wonde in het gezicht en die stierf, en de wagenmenner van de dood, een gewone taxichauffeur met een kromme rug en een witte vlag, voerde hem af naar de dodenstad, de lijkkist dwars op zijn kar – en daarnet nog zat hij met ons te lachen.

“Ptaoing” zongen de kogels boven je hoofd elke keer als je je buiten vertoonde. Jonge mannen liepen er rond met omzwachtelde handen in roodbelijnde vesten met gele strepen op hun broeken. Hun gezichten verlevendigden de lege straten als je opkeek van de poort. Eén dokter zat er al kwartier lang in de sneeuw, onder vuur genomen vanaf de omheining,nadat hij zo slim was geweest om een lucifer aan te steken en te roepen ” Wie is er daar?”. Hij was erg verkouden.
Een militante klerk, lang met bruinig haar en het gele lint van de overwinning in zijn knoopsgat, liep door de straten met een vuurwapen in zijn armen.

Het was een spelletje voor de mannen van de loopgraven, een wolkje oorlog dat ze als speleding hadden meegebracht van het front. Ik wist best dat een enkele Kaukasiche bergbewoner, wanneer die in woede ontstoken de taverne uitstoof, méér lijken achter zich zou laten dan deze oorlog overdag. Hoedanook, twee tegenstanders hadden het berenvel in twee gescheurd; twee soldaten dansten op het lijk van een plaatselijke bewoner. Ik wist dat het niet lang meer zou duren vooraleer ze het eens zouden worden. Vooral daar een derde gast aan de witte muren van de stad te kloppen stond – De Pest. Voor de derde keer stond die te roepen “Laat mij erin!”. In ieder geval hadden jullie allemaal genoeg eekhoorntjesvlees om er niet aan ten onder te gaan. Tataren, Bolsjevieken, en een groepje gevangenen hadden heel het fort ondergraven, en aan de klokkentorens van de twee kathedralen, de Russische en de Armeense, ontsproten zwarte nestjes machinegeweren. ´s Nachts beschoten ze elkaar onafgebroken, de echo´s van hun salvo´s sloegen dof in op de stenen spiegels van de stad. De stad loste op in die mistroostigheid. Spoorwegen sloegen oranje uit van de roest, publieke doema´s kwamen samen in de wandelgangen van het justitiepaleizen, hielden er gorgelende toespraken.

En toch was de stad mooi ’s nachts. Doodstil, zoals moslimdorpen, verlaten straten met stroken helder en donker in de hemel. De bedrading in mijn gloeilamp voerde een doodsdansje uit en stierf een zachte dood voor mijn ogen; nu zat ik in het donker. Ik verzon een nieuwe verlichtingsmethode: ik nam Flaubert´s Verleiding van de Heilige Antonius en las heel het boek blad per blad, scheurde het gelezene eruit en stak het in brand om bij het licht daarvan het volgende te lezen. Een menigte namen en godheden flitsten door mijn bewustzijn, verstoorden het nauwelijks, raakten sommige snaren en andere helemaal niet en uiteindelijk krulden al die overtuigingen, waarden en wijsheden van de Planeet Aarde weg in ritselende zwarte as. Toen ik ermee klaar was besefte ik dat ik voorbestemd geweest was om net dit te doen. De scherpe, witte rook van het offer omringde mij. Namen en religies brandden als droge twijgen. Magiërs, priesters, profeten, bezetenen – een mindere vangst in een net van ongeveer een duizend woorden (van de mensheid, haar golven en dimensies) -zij allen waren een bundel twijgen in de handen van een wrede offermeester(R:starets?).

Het verbaasde mij dat Diana zich in walmen en fantasiën wou wentelen.

Het deed mij stilletjes deugd dat de Boeddha een expert bleek in het berekenen der atomen.

En alles samen – in de dagen dat waanzinnige fantasie de stadsgrenzen invadeerde, toen de ploeger en de ruiter vochten voor de lichamen van de stadsmensen, toen Poegachevs woeste ha-ha weergalmde bij de lentemonding van de de Volga – vormde de hoogst instructieve zwarte asse van de derde zwarte roos. De namen van Jesus Christus, Mohammed en Boeddha trilden in de vlammen als de schaapshuid die ik offerde aan het jaar 1918. Als kiezelsteentjes in een transparante golf rolden deze afgesleten namen van mensenfeiten en -fantasiën door Flaubert´s afgemeten cadenzen en verdwenen.

De rook omringde mij. Ik ademde gemakkelijker,vrijer.

Dat was op 26 januari 1918.

Gedurende lange tijd had ik gepoogd dat boek te vermijden, maar zijn horde van mysterieuze klanken vonden een geborgen plaatsje op mijn bureau, en bleef daar tot mijn afgrijzen lang liggen, bedolven onder andere dingen. Alleen toen ik het tot asse had herleid en ik een plotse innerlijke vrede ervoer, begreep ik dat het in zekere zin mijn vijand was geweest.

Ik herinnerde mij hoe sommige dingen een bepaald charme bezaten, dingen die wij prezen, dingen vol waren van de conversatie van iemand die ons dierbaar was, en hoe dan uiteindelijk de tijd komt dat dat plots verdampt, sterft, leeg wordt.

Ik raaakte ervan overtuigd dat dat soort dingen een resonantie bezaten, die onze rede niet kon vatten. Op deze wijze: de mysterieuze klank dat zij omvatten riep een corresponderende vibratie op in onszelf.

En voorafgaand, een paar dagen vóór dat dit gebeurde, had ik met grote trots mijn schedel bewonderd, hem vergelijkende met die van een chimpansee, met dat verhoogde voorhoofd en die vervaarlijke tanden. Ik was vervuld van trots op mijn soort. Hebt u dat ooit ook gevoeld?

Velimir Chlebnikov 1918 – losjes vertaald door dv uit het Engels van Collected Works of Velimir Khlebnokov.Volume II – Prose, Plays and Supersagas. Translated by PaulSchmidt, ed. by Ronald Vroon – ISBN 0-674-14046-X, blz.100-102

Reacties zijn gesloten.

%d bloggers op de volgende wijze: