Vertalingen


Wanneer de herfts komt om het groen te keren
in de bomen tot roest, karmijn & koperkleur
& in de waterval een kille spiegeling triomfen
voorspelt voor de sneeuw die komen gaat,
wanneer de berkebomenbasten wit glimmen
in een laatste koortsig visioen
& de winterbodevogels in hun vlucht
breed afscheid nemen van de zomerlucht,-
De schuine heuvelflanken dragen een sjaal
van fragiel goud dat valt
diep in de nare naakte hellingen
die de witte afgronden markeren;
de zachte blauwe luwte lijkt het woord
te lokken  uit de dichtersmond -

[...]

De Weg Die Ik Nam
Astrakhan
Moskou
Kharkov
Rostow
Bakoe
Perzië
Piatigorsk
De Trein
Moskou
Vrijheid

Velimir Chlebnikov, 1922
———————————-

vlak-11.pdf
[PDF-bestand van VLAK 11: sterfscene 843/take 5
bijgenaamd ‘de Piatigorskse’]

Azië

Altijd het slavenmeisje
bronsborstje koninklijk
bemoedervlekt draai
om de pagina’s van dit boek
geschreven met de halen
van een oceanenpen.

Inkt van de mensenpot

er klinkt een schot
de tsaar is kapot – een uitroepteken!
triomfante legers zijn de komma’s
en het gepeupel een stippellijn,
hun razernij die aarzelt niet,
de volkswoede, geen vergissing -
tussen de haakjes van de eeuwen.

In plaats van een oorbel glinstert
je oorlel van de overheidszegels.

Een meid met een zwaard, zó hard
tegen verwekking – of de oude
vroedvrouw van het oproer.

[…]

(stukje uit ‘Azië’ van Velimir Chlebnikov, losjes uit het Engels van Paul Schmidt)

1.

De zee. Uit de kustlijn gutst goudvuur, het valt naar het water. Twee geesten in witte mantels zeilen door de lucht; ze hebben schuinse, Mongoolse ogen. Eén van hen raakt de kustlijn aan & houdt zijn hand op, waarvan het vuur begint te druipen; ze grommen en trekken weg als zwanen op een donkere herfstnacht. In de verte het geluid van hun huilvlagen.

Sinds het begin der tijden al staat de kustlijn in brand. Vuur barst uit het oppervlak & stromen lava vloeien in de zee; golven spatten op de rode rotsen, de zwarte muren stuk. Drie zonnen branden in de hemel – wachters van de eerste dagen. In de bovenhoek van het vlak dat in perspectief getrokken is, wordt het Feest van de Beer afgebeeld. Een grote zwarte beer in de ketting geslagen, noordelijke dennen. Het volk danst rond hem, men schudt de speren, er wordt gebeden. Dan, bij het luiden van bellen & dans, eten ze hem op. Een cascade van lava stuikt van de rotsen in zee. De Otterkinders vliegen verder, zilver-zachte geesten op witte vleugels.

2.

In regelmatige intervallen slaan de golven op de kustlijn in. De eerste zon is wit, de tweede kleiner – rood met een ring van blauwig licht errond – & de derde is zwart, met een groene corolla. Je hoort iets wat lijkt op vloeken & klachten in een vreemde taal. In één hoek van het doek is nog net het tipje van een vleugel te zien. Een gevleugelde geest met een zwarte speer in zijn hand rijst boven de gouden kustlijn uit, zijn ogen vonken met na-ijver. Een speer trilt & vliegt, & de rode zon valt alsof ze ondergaat, ploft als een rode parel de zee in. Het land verandert van uiterlijk & wordt donker. Meteen schieten er plukjes groen de rots op. Een toevloed van vogels.

Staande op de stervende zon heffen de Otterkinders hun handen hoog & zingen ze een woordenloze hymne ter lof van Iemand. Dan trekt Otterszoon – de donkerharige, de donkerhuidige, die met het ronde hoofd met krullen omgeven – de speer uit de rode zon & stormt hij met zwarte wiekslagen ten aanval naar de zwarte zon, zwiept zijn vleugels ten steun op de luchten. & Ook die zon zakt het water in.

Meteen verdonkert de aarde. De hemel wordt weer helderblauw, De zee verschiet van kleur- haar zwarte teint met rode gloei vergroent. De Otterkinders zetten grijphandend voor het eerst een voet op aarde. De middagse dorst doet hen knielen & met de monden de koude rivier raken die de gouden lavastroom vervangen heeft. Otterszoon neemt een stenen hamer ter hand & verbrijzelt de rotswand. Overal zijn er grasvelden, bosjes jonge berkebomen. Hij buigt een berk, stroopt de bladeren eraf, knoopt er een snaar van vlechthaar aan, hij fabriceert een boog.

Een kleine, gevleugelde Mongool verschijnt. De enige overblijvend zon gaat onder in wolken van verdriet, haar stralen raken de resthopen van haar overleden makkers.

Sussend verschijnt dan in de golven & troostend bij de rouw om deze eerste dagen van het gouden geluk Otter -Moeder Aarde – met in haar bek een vis & ernstig contempleert zij het bewerkstelligde.

Dan is er de eerste rook – een levensteken opstijgend van die grot daar, & het is een vlinder die hen daartoe leidde.

3.

De Otterkinders zitten bij het kampvuur zich de vleugels te ontdooien. Otterszoon wijst naar de witte zon & zegt: “Dat ben ik!”.
Een zwart paard van de zeesteppe zwemt voorbij, het water spuit uit zijn ronde neusgaten, vloeit weg langs zijn ronde ogen. Iemand zit er schrijlings op met in zijn handen een ivoren klankbord en snaren.

Dat waren de eerste dagen van het aards bestaan.
Enorme zandhopen. Walvisribben zwarten op het strand. Zeepaardjes spelen in de golven. Een eenzame bioloog loopt er voorbij met een blikken potje, bestudeert de droge walvisbeenderen. Ottersdochter schept wat water in een schelp & kiepert het de bioloog in de kraag. Die fronst de wenkbrauwen, kijkt omhoog naar de hemel en verdwijnt.

De hemel is donkergrijs. Ottersdochter is van kop tot teen in heur haren gewikkeld. Regen. Bliksemletters. Ze gaan schuilen in de grot. De hemel verduistert. Enorme sterren. Hagel, Wind. Een donkere auto reidt het plein op. Wilde roepklanken. Het weeklagen van een dodelijk verwonde zwaan & het woeste gegrom van een rhinoceros. Twee lichtschachten doorklieven de duisternis. De chauffeur in zijn winterjas, zijn hoofd uit het raam, steekt een arm uit en roept “Hier”: hij gooit een zak in het zand.

Een verschrikkelijke wind. Bibberend van de kou gaan ze de grot uit & grijpen de geleverde dekens. Ze slaan ze om. Hij draagt een vilten hoed, Ottersdochter is gekleed in een zwarte bontmantel met een sjieke blauwe hoed. Ze stappen in de wagen & riijden weg. Een bebaarde centaur met hoeven en blauwe ogen komt voorbij op het strand. Er landt een vlieg op zijn oor. Hij schudt zijn manen & jaagt ze weg. Ze landt op zijn flank. Bedachtzaam draait hij zich om en vangt ze met zijn hand.

Velimir Chlebnikov 1911-1913 – losjes vertaald door dv uit het Engels van Collected Works of Velimir Khlebnokov.Volume II – Prose, Plays and Supersagas. Translated by Paul Schmidt, ed. by Ronald Vroon – ISBN 0-674-14046-X, blz. 278 e.v.

Russische tekst : http://www.rvb.ru/hlebnikov/tekst/03svrpov/228_1.htm

Personages:

  • stem van het zicht
  • stem van het gehoor
  • stem van de rede
  • stem van de gedachte
  • stem van het geheugen

Voice of Conjecture
Voice of Will
Voice of Joy

Haasje liep het open veld op, waar hij de vertrouwde struiken kon zien, maar daar tussenin was er een ongewone sneeuwbank nu en uit het midden van de sneeuwbank stak er een hoogst merkwaardige zwarte stok die recht naar hem wees. Haasje hief het ene pootje hoog en boog zijn oor naar voren. Plotsklaps lichtte er een paar ogen op in de sneeuwbank. Ze zagen er niet uit als haasjesogen, ze rezen op uit de sneeuw als grote twinkelende gruwelsterren. Wiens ogen waren dat? Waren het de ogen van Mens? Of kwamen ze van het land van Grote Haas, waar hazen op mensen jaagden, waar Mens in vreze enkel ’s avonds zijn neus buiten zijn hol durfde steken, om zich dan naar de groentetuin te reppen, een paar takjes af te ritsen of een koolblad binnen te steken, maar zich dan onmiddellijk het vuur op het lijf haalt van de genadeloze schutters.
Natuurlijk, dacht Haasje, natuurlijk is ‘m dat, dat is Grote Haas, hij is gekomen om zijn kleine neefjes te redden uit de klauwen van Mens. Dus ik zou maar beter beginnen met de heilige ritus van het land.

Haasje huppelde ver de sneeuwvlakte op. Hij maakte elegante buitelingen in de lucht, sprong met uitgestrekte pootjes. Net dan begon de stok te bewegen. De sneeuwbank verschoof, deed een stap voorwaarts. Een paar verschrikkelijk blauwe ogen staarden hem aan over de sneeuw.
Ah, dacht Haasje, het is niet onze grote bevrijder. Het is Mens.

Zijn lijfje werd door angst bevangen. Hij bleef waar hij was, zijn hele lichaam trilde, tot het schot met een streep bloed hem het lijf in de lucht gooide.

Velimir Chlebnikov 1918 – losjes vertaald door dv uit het Engels van Collected Works of Velimir Khlebnikov.Volume II – Prose, Plays and Supersagas. Translated by PaulSchmidt, ed. by Ronald Vroon – ISBN 0-674-14046-X, blz.100-102

Niemand zal ontkennen dat ik jullie Planeet Aarde aan mijn pink draag.

Omdat ik een vredelievend mens ben, ben ik vastbesloten om de gevatte frase “Kop eraf” om te vormen naar het niet minder gevatte “Snor eraf” en het gelijkstellen van stemmen met kanonnenvuur bekijk ik eerder sceptisch, een electoraat dat stemt bij geweerschot in de lucht: het is moeilijk missen als je naar de hemel mikt en dat maakt het inderdaad wel een goede stembus. De Kozakken tegen de slechterikken, de bazen. Ik herinner mij de verschrikkelijke doorbraak bij het fort, toen er slechts twee aanvallers waren uitgeschakeld, en de slaperige verdedigers verhieven hun stem met een nieuwe strijdkreet – “Vanka, ze schieten op ons!”- en ze grabbelden hun geweren en sloegen de aanval succesvol af.

Eén slachtoffer was er toch, met een wonde in het gezicht en die stierf, en de wagenmenner van de dood, een gewone taxichauffeur met een kromme rug en een witte vlag, voerde hem af naar de dodenstad, de lijkkist dwars op zijn kar – en daarnet nog zat hij met ons te lachen.

“Ptaoing” zongen de kogels boven je hoofd elke keer als je je buiten vertoonde. Jonge mannen liepen er rond met omzwachtelde handen in roodbelijnde vesten met gele strepen op hun broeken. Hun gezichten verlevendigden de lege straten als je opkeek van de poort. Eén dokter zat er al kwartier lang in de sneeuw, onder vuur genomen vanaf de omheining,nadat hij zo slim was geweest om een lucifer aan te steken en te roepen ” Wie is er daar?”. Hij was erg verkouden.
Een militante klerk, lang met bruinig haar en het gele lint van de overwinning in zijn knoopsgat, liep door de straten met een vuurwapen in zijn armen.

Het was een spelletje voor de mannen van de loopgraven, een wolkje oorlog dat ze als speleding hadden meegebracht van het front. Ik wist best dat een enkele Kaukasiche bergbewoner, wanneer die in woede ontstoken de taverne uitstoof, méér lijken achter zich zou laten dan deze oorlog overdag. Hoedanook, twee tegenstanders hadden het berenvel in twee gescheurd; twee soldaten dansten op het lijk van een plaatselijke bewoner. Ik wist dat het niet lang meer zou duren vooraleer ze het eens zouden worden. Vooral daar een derde gast aan de witte muren van de stad te kloppen stond – De Pest. Voor de derde keer stond die te roepen “Laat mij erin!”. In ieder geval hadden jullie allemaal genoeg eekhoorntjesvlees om er niet aan ten onder te gaan. Tataren, Bolsjevieken, en een groepje gevangenen hadden heel het fort ondergraven, en aan de klokkentorens van de twee kathedralen, de Russische en de Armeense, ontsproten zwarte nestjes machinegeweren. ´s Nachts beschoten ze elkaar onafgebroken, de echo´s van hun salvo´s sloegen dof in op de stenen spiegels van de stad. De stad loste op in die mistroostigheid. Spoorwegen sloegen oranje uit van de roest, publieke doema´s kwamen samen in de wandelgangen van het justitiepaleizen, hielden er gorgelende toespraken.

En toch was de stad mooi ’s nachts. Doodstil, zoals moslimdorpen, verlaten straten met stroken helder en donker in de hemel. De bedrading in mijn gloeilamp voerde een doodsdansje uit en stierf een zachte dood voor mijn ogen; nu zat ik in het donker. Ik verzon een nieuwe verlichtingsmethode: ik nam Flaubert´s Verleiding van de Heilige Antonius en las heel het boek blad per blad, scheurde het gelezene eruit en stak het in brand om bij het licht daarvan het volgende te lezen. Een menigte namen en godheden flitsten door mijn bewustzijn, verstoorden het nauwelijks, raakten sommige snaren en andere helemaal niet en uiteindelijk krulden al die overtuigingen, waarden en wijsheden van de Planeet Aarde weg in ritselende zwarte as. Toen ik ermee klaar was besefte ik dat ik voorbestemd geweest was om net dit te doen. De scherpe, witte rook van het offer omringde mij. Namen en religies brandden als droge twijgen. Magiërs, priesters, profeten, bezetenen – een mindere vangst in een net van ongeveer een duizend woorden (van de mensheid, haar golven en dimensies) -zij allen waren een bundel twijgen in de handen van een wrede offermeester(R:starets?).

Het verbaasde mij dat Diana zich in walmen en fantasiën wou wentelen.

Het deed mij stilletjes deugd dat de Boeddha een expert bleek in het berekenen der atomen.

En alles samen – in de dagen dat waanzinnige fantasie de stadsgrenzen invadeerde, toen de ploeger en de ruiter vochten voor de lichamen van de stadsmensen, toen Poegachevs woeste ha-ha weergalmde bij de lentemonding van de de Volga – vormde de hoogst instructieve zwarte asse van de derde zwarte roos. De namen van Jesus Christus, Mohammed en Boeddha trilden in de vlammen als de schaapshuid die ik offerde aan het jaar 1918. Als kiezelsteentjes in een transparante golf rolden deze afgesleten namen van mensenfeiten en -fantasiën door Flaubert´s afgemeten cadenzen en verdwenen.

De rook omringde mij. Ik ademde gemakkelijker,vrijer.

Dat was op 26 januari 1918.

Gedurende lange tijd had ik gepoogd dat boek te vermijden, maar zijn horde van mysterieuze klanken vonden een geborgen plaatsje op mijn bureau, en bleef daar tot mijn afgrijzen lang liggen, bedolven onder andere dingen. Alleen toen ik het tot asse had herleid en ik een plotse innerlijke vrede ervoer, begreep ik dat het in zekere zin mijn vijand was geweest.

Ik herinnerde mij hoe sommige dingen een bepaald charme bezaten, dingen die wij prezen, dingen vol waren van de conversatie van iemand die ons dierbaar was, en hoe dan uiteindelijk de tijd komt dat dat plots verdampt, sterft, leeg wordt.

Ik raaakte ervan overtuigd dat dat soort dingen een resonantie bezaten, die onze rede niet kon vatten. Op deze wijze: de mysterieuze klank dat zij omvatten riep een corresponderende vibratie op in onszelf.

En voorafgaand, een paar dagen vóór dat dit gebeurde, had ik met grote trots mijn schedel bewonderd, hem vergelijkende met die van een chimpansee, met dat verhoogde voorhoofd en die vervaarlijke tanden. Ik was vervuld van trots op mijn soort. Hebt u dat ooit ook gevoeld?

Velimir Chlebnikov 1918 – losjes vertaald door dv uit het Engels van Collected Works of Velimir Khlebnokov.Volume II – Prose, Plays and Supersagas. Translated by PaulSchmidt, ed. by Ronald Vroon – ISBN 0-674-14046-X, blz.100-102