november 2007


Azië

Altijd het slavenmeisje
bronsborstje koninklijk
bemoedervlekt draai
om de pagina’s van dit boek
geschreven met de halen
van een oceanenpen.

Inkt van de mensenpot

er klinkt een schot
de tsaar is kapot – een uitroepteken!
triomfante legers zijn de komma’s
en het gepeupel een stippellijn,
hun razernij die aarzelt niet,
de volkswoede, geen vergissing -
tussen de haakjes van de eeuwen.

In plaats van een oorbel glinstert
je oorlel van de overheidszegels.

Een meid met een zwaard, zó hard
tegen verwekking – of de oude
vroedvrouw van het oproer.

[…]

(stukje uit ‘Azië’ van Velimir Chlebnikov, losjes uit het Engels van Paul Schmidt)

De Vogels repeteren de humane versvoeten:

Tjilp tjilp tjoek
tjilp tjoek tjilp tjilp.

Tjilp tjoek tjoek
Tjilp Ttoek tjilp.

Stilte, kinders, kwetters, vogels
altegader
aanhoort
alhier alnu alras

uit onze naai- & knopendoos het bolleken zwarte garen
met daarin witgewikkeld onbewogen de praal en de pracht
van – waar zaten we- ik denk zang acht:

De rotsen Einstein en Whitehead houden
Zitting op de kletsnatte paarlemoeren banken
Bij de wereldwijde webwielerbaan. Hoog

suist boven hen de Vorm
van het Bekende, het oord
Woord, een soort
platvis in eigen nat.

Tussen de rotstenen, bij de blote mosselen,
danst Marcel van het Tekstboutieksken
met het jonge Blondje Pleroma La Creatura

verwekt in de buik van een Tante, ooit,
door een eenmalige inspuiting
met het witte Secreet van de Angst
voor het Niet Netjes Verdingelijkte,
aka Rafeltje, het Gruwelijke
Randstadspook .

Terwijl de zon demarreert
in een voortijdse poging
om aan de verplichtingen
van de globale verwarming
te ontsnappen, differentieert

de Maan zich en maakt aldus
een bekoorlijk verschil. De

rotsen steken elkaars sermoenen
hoog boven de zeven natte
geiten der wereldzeeën: er heerst
tevredenheid in hun rangen

over het schuim in de eigen golven
dat volledig beantwoord
aan het uitgesproken zwarte
geweten der zelfberugkrabde

provinciën, de circulaire
prognose van de causale
eindereekstaalfouten
bevattende het stopwoord

als het ware. Bibbert & reikt

maar gij geiten, naar het U
ontzegde. Het is slechts
een kwestie van dagen nu

vooraleer vooraleer

vooraleer [..]

[hier zijn de letters v.h. MS in een blauwige schijn
witachtig uitgelopen, waterschade vermoeden wij ]

Trip rondeTrip nieuwe trip

Ruimte ruimte nieuwe dradenRuimte
Iets nieuwe telling

Ruimte heb vele draden. Hoeveel? Bah, een stuk of wat,

  • Iets tussen 1000 en 16000. // systeem doet er een gooi naar

Ruimte oscilleer Iets plus of min 32.

Indien accident, beweeg

  • tot de Tranen de ruimte instuiken.
    Explodeer.

Anders doe gerust verder

Driewerf de muren beefden van het rijk R.
Aanvang dra was het te regenen. Muis stil,
Kat krabde niet, of daarin het woord

Niets. De grond wou inkruipen vergeefs
De arme hond, klankenloos het dikke
Wolkendek jammerde de grijsaard

Aan & aan

Ving het. Drups druppelde eerst
De eerste druppel druppelde over
De tweede de derde vijverachtig in

& bij de duizenden bakten zij dra
De hemelsluizen uit vervloeiend
Vlijtig de pijpen steelsverwijzende.

Geheel zondeloze zondvloed sprak men
Verbaasd eerst nog & schools daarna in
Vreze echter van de nieuwe goden het

Slijk aan van de menselijke dijkbreuken.
In zodanige nattigheid gelijk ontliepen
De zanger Izegang als woorden

De tranen ener donk’re hemelwang:

In deze rijmdwang genesteld
net nog afhangende het zinvolle
zoals de frèle draadlijntjes Xn

uwer klederdracht enkele ogen lang
de graterige schoudertjes aandeden
als was alles geheel oker voortaan

& lichamelijk, de witte ruis van de stad
het wit & de beweging van zijde op huid
als compoort morsende het grafiet. Ik even

onwel verslikte mij verdroogd een diaspora
het zij (1,2,…n) een zee waaraan wij onze
namen konden haken, in golven vergeten

vervolgens als het zij zie, het zij za,
het zij zo. Dit alles vertongkrulde mij
de erostrapserige vertreding van taal,

maar in het leven eerst ter einde
dient men het leven wijselijk uit
te bouwen tot het afslaat in het

niet, niet? Beluisteren wij in deze plus/
min intiem verweven publiekelijkheid
daartoe het KrimGotisch voorafgegane.


Stormt daarin niet het clair-obscure de M
in van het toverwoord? Het stormt. E
brengt het slikik in het spel, terwijl de C

afkapt waar grenzen te dachten staan. A
evenwel kent ons niet alles niet evenmin N
& daarmee zet in al het goud dat niet O

wou maar was de draaiende molen. Olie is L
Op de nakende weerslag der golvende O.
Schier eindeloos de drang tot verdraaing in D

die de dag openbreekt van de lijdende I.
Op aanrechten aller talen te druipen blijft A
staan die eerstom per afstand de lus vraagt aan M.

Gebroken tot licht blijkt de huid het lijf gebrekkig O
Toe te behoren zodat enkel het zingen tot U
in galmen ons indringt. Hoorbaar ook rochelt de R

zich ons ter lering te aarden van het schone de O

 Duet van Rusthuis De Voorruit met zanger Izeganz

Rusthuis De Voorruit:

Alleen overtuigend mijn liefste ben ik hier niet , zegt er
Eén & dit huis waar het lege gejammer van afdruipt haast,
Ruist met velourse doeken voor befakkelde spelonken
Waarin de geesten rondwaren van oeroude goden. Daar,

Waar stortbeton ter instructie van het algemeen nut
Instorten wil de instructeur van het algemeen nut, dit
Evenwel louter in opdracht van de directeur van het
Uitvoerend comittee van het Derde Decreet van

Algemeen nut. Het Niets, ocharme, niet . Wat niet
Het Niets? Stro
Niet het niets op de plafondbalken
Van uw TuinTerras tuinterras
Van de firma TuinTerras®.

Zwijgt Jef, ge zijt een zeveraar en een dronkaard.
En gij Marie gij zijt een oude, droge pruim met groene
en purperen korsten op.

Je moet er maar ’s op letten, oppert een ander,
als je begint af te tellen kom je elke keer weer uit
bij het enige al dat ons eeuwig openstaat, de deur

is altijd de deur met de vergulde klink naar de deur
die in aanlokkelijk rood significant zwart postgleuft
naar de simplexe deur genummerd nul. O, ach zo,
valt een derde de zucht van kengetal 4 bij, de hogere
reeks in het vlak pensioengerechtigheid. Dan is het

gedurende
langere
tijd

stil. Alleen, zegt er één, ben ik hier overtuigend
niet, mijn liefste &

 

 

 

 

 

 

IZEGANZ:

Ik vlucht uw fijnst vertakte reiken krimpende in.
Het dons in zal ik vallen van de eindeloze velden
Der golvende trilharen, zo dat onder mijn luttele gewicht
Nauwelijks zich buigen zullen de microvilli, zo
Dat mij opstulpen moeiteloos de pseudopoden
& Ik in het onooglijke vervlinder, pluripatisch
Het klemmende bereik der vorkende kennis
Uitfladder, mij vrij van zin in de schemerzone
Tussen woord en stof verhul. Niet langer
Zult gij mij noemende berichten kunnen, niet langer
Zal mijn naam uw roepen richting geven.
Ik vlucht uw fijnst vertakte reiken krimpende uit.

Tot ik verzwolgen ben zal ik uw lichaam penetreren.
Geen zestigduizend omwentelingen per minuut
Zullen dan volstaan om iets van mij nog
Uit uw cellen af te scheiden. In deze nietigheid zal ik
Oneindig lang & pluriform in u bestaan.
Geen memoreren evenwel zal nog substantie in mij vinden.
Geen distinctie zal een meternaald mij registrerend doen uitslaan.
Geen kleur heb ik, geen ruimte nog zal ik beslaan.
Mijn woord zal in uw aders hydrofobisch kolken.
U kan uzelf niet zonder mij nog situeren.
Tot ik u ben zal ik uw lichaam penetreren.

Waar gij dwalende uzelven zoekt zult gij mij vinden.
Op markten waar gij stof aan stof houdt met een onverschil
Van kleur & weving, in gaanderijen die gij hopeloos
Om duiding kretend hijgende doorjaagd zonder doel,
Op schermen die u leiden van uw onrust naar de onrust
Om uw dood, bij het naken daarvan in uw laatste woord
Wanneer de zin zich scheiden zal van klank en letters
Wanneer het pure rede lijken aanvang neemt & schijn
Zich in de verste melodiën gaat verschuilen voor het kwijnt
& Smelt wat u van mij verwijderd houdt, wanneer
De muur waarop gij uzelf & mij tot manend woord verschrijft,
Wanneer gij lezende uzelven schrijft, zult gij mij vinden.

 

 

 

Rusthuis De Vooruit:

Sjonge jongen, gij hebt zekers op onze zolders teveel
asbest zitten snuiven. Hier, pakt u een tas thee & volgt
met uw wijsvingertje de lijnen van wat er ons de voorruiten
afglijdt.

Er. Daar. De woordbreuk: die bibberlip
die spuughuig die blaaskeel die
longdrift dat tongsplijten van wind
in de wind.

Dit verhaal bekomt hem stilaan als een meshaal,
standhouden wordt knap lastig als de klank
& de zin als koedarmen uit koebuiken zijn ik
uitvallen.

Een kwak sjanker op tafel, een niet-aangesloten
serie singulariteiten: Izeganz met een resem
foutmeldingen op het scherm getiteld ‘Mijn
Herinneringen: Opties’.

Willie de Wael rekt plofjes knokelgas
uit zijn lange vingergewrichten. Daar. Er:

 

“De ether trest zich in uw haar tot klit
het wemelen der gronden versteent
waar gij zit, het vuur vervriest bij u
tot purperen stand, de baren braken

scherven spiegels grijswit op uw land:

  • BAARG
  • KENIM
  • WORTG
  • GRSAM

Slapen doen wij staande in het veld
Eten is ons ‘t zout van zeewind op de tong
Verhalen ons vertellen niet het leven
Liederen ons zingen niet het leven
De handen ons in kruimels breken
de voeten ons in zwarte brokken breken
de woorden onze kelen als glas oprijten
het bloed ons in de grijphanden stelpt

de zin uit onze woorden breekt

wat ons verhalen?
wat ons toezingen?
welke markten gij ons nog/nu weer/weerom wilt opduwen?
hoe ons de zotskap nog opdwingen?

waar gij uw rechten haalt?
waar gij u de mond nog roeren durft?
welke eierschaal gij ongebroken laat
in uw hoovaardig boven onze asse zweven?

wij die uw doden zijn
wij die u maken
wiens brood gij eet
wiens naam gij dagelijks misbruikt
wiens leed gij ter uwer aanwendt
als ware het velours waarmede
gij uw zetels tooien kunt, u
het wegdeemsteren veraangenamen
in de sliertenbrij waarin gij
uw billen hebt te rotten gedraaid.

er zijn niet de tientallen monden die u wraken
er zijn niet de duizenden, miljoenen zijn er niet
wij spreken niet in een geruststellend legio
het is de ene mond slechts die u
langzaam met de vinger op & openroert
die dreigt u de mond te aaah-likken,
in het hol te spierzoeken, afbijten

de dappere tong die nu nog klakt van zo toch niet
het recht dat in dit striemen
u ter wille zwijgend wederspreekt

want neen gij hoort dit niet:

gij propt uzelven met uzelven
tot de barsten op, gij wikkelt
u ‘t eigen roemen om de hals
tot het u nanekt tot in’t vals,
gij schroeft u d’ eigenwaan
als wazig dopje op de glazen

kop, gij ziet uzelf door u met
niets dan warr’ge letters ‘ik’
erop:

    • VRNZEUW
    • KWOLMNI
    • AAOERTGF

[...]

de stille draaaiing waar gij kleurenweelde vindt
verwekt de walg & ´t kreten van elk kind:

  • GMOEBKLAUIGH”

 

1.

De zee. Uit de kustlijn gutst goudvuur, het valt naar het water. Twee geesten in witte mantels zeilen door de lucht; ze hebben schuinse, Mongoolse ogen. Eén van hen raakt de kustlijn aan & houdt zijn hand op, waarvan het vuur begint te druipen; ze grommen en trekken weg als zwanen op een donkere herfstnacht. In de verte het geluid van hun huilvlagen.

Sinds het begin der tijden al staat de kustlijn in brand. Vuur barst uit het oppervlak & stromen lava vloeien in de zee; golven spatten op de rode rotsen, de zwarte muren stuk. Drie zonnen branden in de hemel – wachters van de eerste dagen. In de bovenhoek van het vlak dat in perspectief getrokken is, wordt het Feest van de Beer afgebeeld. Een grote zwarte beer in de ketting geslagen, noordelijke dennen. Het volk danst rond hem, men schudt de speren, er wordt gebeden. Dan, bij het luiden van bellen & dans, eten ze hem op. Een cascade van lava stuikt van de rotsen in zee. De Otterkinders vliegen verder, zilver-zachte geesten op witte vleugels.

2.

In regelmatige intervallen slaan de golven op de kustlijn in. De eerste zon is wit, de tweede kleiner – rood met een ring van blauwig licht errond – & de derde is zwart, met een groene corolla. Je hoort iets wat lijkt op vloeken & klachten in een vreemde taal. In één hoek van het doek is nog net het tipje van een vleugel te zien. Een gevleugelde geest met een zwarte speer in zijn hand rijst boven de gouden kustlijn uit, zijn ogen vonken met na-ijver. Een speer trilt & vliegt, & de rode zon valt alsof ze ondergaat, ploft als een rode parel de zee in. Het land verandert van uiterlijk & wordt donker. Meteen schieten er plukjes groen de rots op. Een toevloed van vogels.

Staande op de stervende zon heffen de Otterkinders hun handen hoog & zingen ze een woordenloze hymne ter lof van Iemand. Dan trekt Otterszoon – de donkerharige, de donkerhuidige, die met het ronde hoofd met krullen omgeven – de speer uit de rode zon & stormt hij met zwarte wiekslagen ten aanval naar de zwarte zon, zwiept zijn vleugels ten steun op de luchten. & Ook die zon zakt het water in.

Meteen verdonkert de aarde. De hemel wordt weer helderblauw, De zee verschiet van kleur- haar zwarte teint met rode gloei vergroent. De Otterkinders zetten grijphandend voor het eerst een voet op aarde. De middagse dorst doet hen knielen & met de monden de koude rivier raken die de gouden lavastroom vervangen heeft. Otterszoon neemt een stenen hamer ter hand & verbrijzelt de rotswand. Overal zijn er grasvelden, bosjes jonge berkebomen. Hij buigt een berk, stroopt de bladeren eraf, knoopt er een snaar van vlechthaar aan, hij fabriceert een boog.

Een kleine, gevleugelde Mongool verschijnt. De enige overblijvend zon gaat onder in wolken van verdriet, haar stralen raken de resthopen van haar overleden makkers.

Sussend verschijnt dan in de golven & troostend bij de rouw om deze eerste dagen van het gouden geluk Otter -Moeder Aarde – met in haar bek een vis & ernstig contempleert zij het bewerkstelligde.

Dan is er de eerste rook – een levensteken opstijgend van die grot daar, & het is een vlinder die hen daartoe leidde.

3.

De Otterkinders zitten bij het kampvuur zich de vleugels te ontdooien. Otterszoon wijst naar de witte zon & zegt: “Dat ben ik!”.
Een zwart paard van de zeesteppe zwemt voorbij, het water spuit uit zijn ronde neusgaten, vloeit weg langs zijn ronde ogen. Iemand zit er schrijlings op met in zijn handen een ivoren klankbord en snaren.

Dat waren de eerste dagen van het aards bestaan.
Enorme zandhopen. Walvisribben zwarten op het strand. Zeepaardjes spelen in de golven. Een eenzame bioloog loopt er voorbij met een blikken potje, bestudeert de droge walvisbeenderen. Ottersdochter schept wat water in een schelp & kiepert het de bioloog in de kraag. Die fronst de wenkbrauwen, kijkt omhoog naar de hemel en verdwijnt.

De hemel is donkergrijs. Ottersdochter is van kop tot teen in heur haren gewikkeld. Regen. Bliksemletters. Ze gaan schuilen in de grot. De hemel verduistert. Enorme sterren. Hagel, Wind. Een donkere auto reidt het plein op. Wilde roepklanken. Het weeklagen van een dodelijk verwonde zwaan & het woeste gegrom van een rhinoceros. Twee lichtschachten doorklieven de duisternis. De chauffeur in zijn winterjas, zijn hoofd uit het raam, steekt een arm uit en roept “Hier”: hij gooit een zak in het zand.

Een verschrikkelijke wind. Bibberend van de kou gaan ze de grot uit & grijpen de geleverde dekens. Ze slaan ze om. Hij draagt een vilten hoed, Ottersdochter is gekleed in een zwarte bontmantel met een sjieke blauwe hoed. Ze stappen in de wagen & riijden weg. Een bebaarde centaur met hoeven en blauwe ogen komt voorbij op het strand. Er landt een vlieg op zijn oor. Hij schudt zijn manen & jaagt ze weg. Ze landt op zijn flank. Bedachtzaam draait hij zich om en vangt ze met zijn hand.

Velimir Chlebnikov 1911-1913 – losjes vertaald door dv uit het Engels van Collected Works of Velimir Khlebnokov.Volume II – Prose, Plays and Supersagas. Translated by Paul Schmidt, ed. by Ronald Vroon – ISBN 0-674-14046-X, blz. 278 e.v.

Russische tekst : http://www.rvb.ru/hlebnikov/tekst/03svrpov/228_1.htm

INHOUD

VORIGE VOLGENDE

Koor van de Verbijsterende Inval:

Het Akkerlied

Gij zijt een akker gij, de grond van lang vergeten tijden.
Uw kluiten wenen vocht & klei om ‘t hedendaagse lijden.
Het onkruid schiet gewillig in uw verse keren op.
Wormen vreten wormen dik van al dat landelijk verteren.

& Al de schoonheid bloeit uw diepe lijnen op
& Heel het leven zingt uw brekenspijnen mee

Het land was kaal verteerd bijna & galmde hoog vol lege holte
& Toen kwaamt gij met hemels zicht & aardse zang voorbij
De bodem van de gifpoel zonk van schaamte rot in ‘t nieuwerwetse niet
Zoiets als gij verzinnen kon, verdoet men zonder scha & schande niet

& Al de wijsheid breekt uw gulle lachen open
& Alle woede komt weer onomkeerbaar boven

Nu graait ‘t gesjacher weer met mollepoten in ons om.
Dan poogt de nijd haar gif in onze grond te deponeren.
Nu wil men u met krans & zilver fatsoeneren tot een pop.
Dan wil de Hertog toch uw wilde krachten in zijn span.

& Onze lust zal elk gebod naar de gebieder om doen keren
& Ons verlangen bergt in u ‘t weerbarstig leven veilig op.

INHOUD

VORIGE VOLGENDE

— Klik op het pijltje naast het luidsprekertje om de audio te horen—

INHOUD

VORIGE VOLGENDE

[Het Sonore Commentaar bij de Tienduizend Teneerdrukkende Beelden der Uitgevaagde Culturen. De beelden kunnen bv vertoond worden in een video of met een microzachte machtspuntspresentatie. De commentaarstukjes mogen gezien de lengte der presentatie vrijelijk herhaald worden]

Koor van de Verbijsterende Inval:

Van:

de bloemen de bloemblaadjes in hyperfijne rafels gereten
de insecten de schildjes/vleugeltjes/pootjes/slijmkliertjes tot een grijsgroen papje gestampt
de bospadden niets voorlopig de kinders zijn nog wakker.

Hier? Hier.

Uit het Bos? Uit het Bos.

Het Pad? Platgelopen.
Naar de klippen? & de haaien.

Weidt hij al in/uit ? Ziet hij er lief uit?
Hoelang? Zijn er voorbijgangers?
Waar moet ik aanschuiven?

Rampetampe rampetampe bom
Bom bom
Rampetampe rampetampe bom
Bom bom

Kijk we kunnen nu ook
Het gras laten zingen
vogeltjes doen blinken.

Schroeivinken.
Schroeivinken.
Schroeivinken.

4.571 jesussen deze maand
alleen al. Nu mét slijk
uit Garmisch-Partenkirchen,

Iehre Urlaub im Bergen.

Schroeivinken is
een werkwoord.

INHOUD

VORIGE VOLGENDE

UITVOERINGEN /PUBLICATIES

  • VLAK 3 verscheen eerder in Literair Tijdschrift Dighter nr 8 jaargang 3 (herfst 2007)

INHOUD

VORIGE VOLGENDE

[à la façon et en honneur de mon copin De Paris]

Op de Boulevard des Alliées versmelten de manhaftige
Geschenkenshoppers asfaltig tot het KopersBlok.
Messcherp & pijlsnel doorvlijmen vanuit zwartlederen etui’s
de kredietkaarten de Banksysspleten. Het ratelt euro’s,
de euro ranselt de dollar van de koersborden.

Krepeer toch wat sneller, gij loze Afrikanen, want aan de
andere kant van de stad vervlechten zich alreeds de kordate
Strijders voor het Behoud van Werk en Gratis Sex tot het
hechtere Ekstatisch Jobfront. De stad davert, de eisen
overstelpen, wagens rijden volks het volk in.

Dan haalt het KopersBlok uit met een hartverscheurend
Levend Verslag van het Niet-Vijfvoudig Bekerstgeschonken
Kind. Balancerend op de rand van het Moreel Toelaatbare staat
het Kind afgebeeld met in de trillende hand 1 van 2 loopstelten.

De deuren der ondergronds-volzette parkeergarages kletteren
van verontwaardiging, het stadscarillon zwijgt veelbetekenend.
De goden snellen stilzeisend door de lucht. Aders verklonteren.

Even later donkert weer het leven blauw & bloedeloos boven
de versteende nevelen.

INHOUD

VORIGE VOLGENDE

UITVOERINGEN /PUBLICATIES

  • VLAK 2 verscheen eerder in Literair Tijdschrift De Brakke Hond (nr 95)

INHOUD

VORIGE VOLGENDE

[We zitten in Café Het Algemene Spreekverbod, getrotseerd door enkele marginale illegalen.
Zanger Izeganz voelt zijn einde weerom naderen. Zijn schulden aan Elsie , de breedboezemige waardin zijn weer tot ver boven heur froufrou gestegen. Hij probeert alsnog de aanwezigen met een lyrische uithaal tot een tractatie te bewegen.

Willie de Rietwiegewael van doodsprentjesdrukkerij Doodsprentjesdrukkerij Willie & Zn moedigt de pogingen aan. Ook hij voelt handenwrijvend het einde naderen. We hebben weldra weer drukwerk. De virtuele toog is dan wel van hout, op Delftse tegeltjes knalt platbuikig zijn pladijs met een laagje verstervingsslijm alreeds de plassen Bols wijds open. Ook Jeanke de PvO-Pleonast scharrelt rond in zijn manuscripten-etui, waar talloze exemplaren van zijn Print-on-Demand edities in donker Purper zitten te schitteren.

Legt in vóór het wielknarren der doodskar die lyrische zang, zo eist het gehoor der Illegalen. ]

“Kalkeert”, zo knikt Izeganz stervende
bij het veeleisende gehoor in,
“vrijelijk Ulieden deze klank, die geheel
bladloos gebaard ter inkleuring
wordt u aangeboden :”

IZEGANZ:

De vogels verzingen de vogels & de zon boven ons uit
& blauw uitkrast blauw, vink vinkt vinken uit.
Lepelbekken vismijnerig willen de Rus mij uitrooien, uit
zijn verschansing onder de wormen in kubus uitpletten, het Vlak
op der Future Vlaklijners. Trouw niets! De mus
klikt spaan & de bruut Fuut met z’n meid
Merel zijn zwarten, letterbekken, allemaal.

Jeanke de PvO-Pleonast:

O Filonoemeaatje Krulhaar wollig
bewinterkleed & kwabberkontig
ter koude voorzien: heft nog bij het rotten
der netten de heftige lijmstok & schiet knal
uw schietknallers tot pal staat
dit zwijgen syntactisch, tot is
als een washetditmaar dit zwijgen
het leven gelijk & finaal. Voetnoot
nieuwe Voetnoot glij

tragies onder polmanen beschijnboot
& de dag marcdingend de glijnoot
van het einde in, rondt
pauserig deze zangklank nieuwe
zangklank met uw aan cijfers
verankerde bullen af:

……………………………
……………………………

……………….

[ De stilte zet in terwijl Elsie de glaasjes Bols
bij de koffie’s, de glazen pils & de Duvel van Willie schuift
op het scherm der Bekijkbare Consumpties.


Even later is enkel nog de doodsreutel van Izeganz hoorbaar
in het rookvrije Café]

INHOUD

VORIGE VOLGENDE

UITVOERINGEN / PUBLICATIES

Personages:

  • stem van het zicht
  • stem van het gehoor
  • stem van de rede
  • stem van de gedachte
  • stem van het geheugen

Voice of Conjecture
Voice of Will
Voice of Joy

 [inleidende dogmatiek van de Wenende Nacht]

 

Netwerkconnectie tube nieuwe Netwerkconnectie wees sprekend uw Moedere2;
Tube tubeer:

 

Het gedicht werd ons neergekwakt in klanken, opdat een onweer uit de hemelen losbarsten kon. De druppels klank verhouden zich tot hun klankcontainers zoals de befaamde Constante Vrouw uit een kantersteense vertelling3 zich verhouden kan.

Tot heer Euler4, dan, vraagt ons de kijklichtluisteraar5 Lezer nieuwe lezer? Neen, antwoorden ons de klanken & het kader schuifelt voet: niet gehuwd is zij met Heer Euler, noch bekend in het gemene rond. De kantersteense vertelling is opgetrokken uit woorden, als een gebouw uit bouwelementen. Deze elementen worden afgescheiden door minuscuul ongedierte, van verschillende omvang en geaardheid. Een metavertelling of autonoom bestroomlijnde voeding, terdege geventileerd en van driewegsschakelaars voorzien zal

  • op specifieke wijze,

  • volgens eigen godhebberigheid en

  • statutair naar eigen verdienste genetwerkt

de vertelling in goede banen lijnen. Leiden niet, nee: lijnen. Stippel dit. Het bevoelhoornige, slijmgeharnaste geleedpotige uitslaan van de decibelaire6 lyriek evenwel is van een gans andere orde. Sta mij toe dit te verduitsen. Untsoweiter. Eén ieder is vrijheid van winkelkassa verleend. De hemel speekselt zich ( eng.: feel ) een fluim van de eerste orde: zwemt zij de klank in der afzonderlijke gedichten, toch is zij ontologisch-prioritair eerst aan het issen. Zo ook Nicole Fopman (inserteer de tekenen der fopmanie): ze lijkt op een beeldhouwwerk dat is opgetrokken uit rotsblokken van verschillende kleur en soort, het lichaam een wit-mager gesteente, de borstomtrek en paginering blauw en de ogen reddeloos opaal tot ronduit zwart. Een vertelling door uilen gekoekoekt, vol fladder en tetter waarop de hand echter manhaftig in loze witglans uitschuift. Metavertellingen zijn de transformatoren van een slapper net, waar de stroomsterkte-netafmeting verhoudingseigenwaarde aantoonbaar een fractie bedraagt van die der dichtkwaksels. Bij wijze van rotsblok gebruike de bevolièrde kwinkeleer dan ook geen verhalen, laat staan woorden, maar het gezegde dat finaal van de eerste orde is.

* *

*

Dauw ligt over het zilvermerige rendiermos. De mol schuilt in het hol. Er krispelt iets nieuws in haar leven: men hoort het naaldwoud ruischen. Dit is het pad van de wenende nacht.

Zendmasten schieten onderaardse lezers de hoogte in. Steenrotsen zaaien zich uit over de vlakte tot deze de vlakte is der uitgezaaide steenrotsen. Het HemelNet sta ons bij: dit is het land van Dijlekwijl. Daar stuiven al weg in de gestremde tranenstroom ettelijke elfjes, met blauw-doorschijnende kleefvleugeltjes aan hunne prille lijfjes. De Ploert Poevark nieuwe Ploert wees sprekend uw moedere, dient alras in bedwang gehouden te worden en zoals men weet kan dat in het land van Dijlekwijl al wel’s moeilijk zijn. Er is evenwel geen bladzijde voorzien om hier op uit te wijden, de klanken der volgende stem zijn al streamende en het hier is ook al grotendeels afwezig.

Dit dus, spraken de Kesselse bergen, onderwijl de grond in het hart treffend met een vette bruine, is het pad van de wenende nacht. Als een zwart vlak komen onder onze wortels her en der de stenen platen van de stenen te voorschijn, opperde de Slenger-klümpf7. Ach klump, sprak Ons Tante prozaisch, het is wellicht daarom dat het stenen zijn. De dialoog dreigde te verannpetersen, werd van hogerhand vroegtijdig afgebroken. Nergens is nog een thuis thuis zoals thuis thuis kon zijn thuis. Dit dus, verzuchtten de lezers terwijl zij in hun richtingloze afgeschotenheid verdwaasd de schermdiepten indoken, is het pad van de wenende nacht.

Het pad is niet eens van de gebruikelijke doorlinkfunctionaliteit voorzien, kloegen zij zwartgallig. En een printknop eisten zij nog daarbij, want aan het hoofd hadden zij het druk. Dit, evenwel, beaamde in den treurnis de herhaling zelve, is het pad van de wenende nacht.

Zo is het, spraken de donkere lichamen, uitgerukt voor de laatste grote netwerkOorlog www-II nieuwe netwerkOorlog wees sprekend uw moedere! Zelfs bij de meest nauwlettend bethreadde instantiering kent elke netwerkoorlog haar eigen grillen, methoden en constructuele tekortkomingen. Treuren evenwel is van Mars-Plastic, gelieve te kneedgommen.

En ziet, zo gebeurde: het vlak Vlak I nieuwe vlak wees sprekend uw moedere, strekte zich thans onverholen voor ons uit. Het leek wel zin te hebben in een flinke kleerafscheurige bemaanbottende bewandeling, waarvoor onze oprechte excuses. Het woord onverholen ook was nog herstellende van ene hevige opstrijk de nacht tevoren, zodat het helaas ook hetzelfde datapakket insijpelde waar ook de karakterrollen mol en hol inscholen, bij de dauw over het zilvermerige rendiermos, dan nog wel.

het triomfantelijk gebrul in de gang betreft de gegadigden
& het gebrul is het gebrul der gegadigden

wij zitten & zittend zitten wij te wachten
wijl het etenstijd is & de werken standhouden

het oponthoud breekt
in het duren uit
dat zich afgemeten weet
& bij zeeën het levensvocht verliest
<blockquote><em>zij dostten zich in beslingerde kwabben
zij sierden met puntigge gaten</em>

<em>zij voerden het kelen &amp; stuiptrekken
quasi smetteloos</em>

<em>uit hunne schoeisels groeiden
de slijmslangen van het kwaad
</em></blockquote>
hun snaren ons in de haren gespannen
hun zweten ons onder de vingernagels gespoten

wij uitmergelen ons tot wij ons
bij de genodigden geschaard weten

het stof wij rond de beenderen ik
zakken ons uit, dan
<blockquote>een verval o zo plots

tot het hoopje woeste schittering
in de onvoorstelbaar  droge woestenij
waar het woeste schitteren
zich voortgezet weet dankzij
onze droogstofstortingen

want

waarin vervolgens de slang ook
der woorden  ploft, de afgeknepen
straal geredigeerde mondvochtkwantiteiten
die met het vallen meteen
het droog in verzinkt

dof dof (dof). Ook
nu nog. (dof).

De woorden zijn luid, het is een beestachtig gebrul
gelijk het gebrul der dronkaards als zij niet langer
bij machte
<blockquote>evenwel het valt ons  geruststellend in de oren:
het triomfantelijke brullen in de gang
betreft immers enkel de gegadigden
&amp; het gebrul is het gebrul der gegadigden</blockquote>
</blockquote>


Afdrukbaar haloweengezang van izeganz in pdf-formaat

 

 

Wijl Izeganz’ Halo Weent

(neo-vomitaanse zang in twee bewegingen, opus 84,
op de wijze van as time goes by)

 

van Ramsgate, actually
Alfred North Whitehead
(Ramsgate 1861 – Cambridge USA 1947)

 

GGGWOOUOUUEEEEUAAAIIRIIIIEIEK

(FGu FGuu FGu FGuu Puwie puwiiiieeeh)


Satz A

Het pad is het pad & op het pad is Izeganz
de zanger & Izeganz de zanger murmelt na
tot uit het niets ópkomt het Doverse*** Witkopje


Izeganz de zanger murmelt
in mollig beblazen barstlipbellen
na het in-in-intense vomiteren

na

avondlik bij altaarlicht
na het vomiteren van de geestesslierten
die de maagwand infesteerden, eilaas

belt zich het na al weerom om
tot de protuberans voor van het volgende:

avidja avenika dosa, dwz
de solitaire onwetendheid is onbestaande
& het waterverlichten een hele klus

& dra neemt ook van de hele Izeganz
het veilig in het in der kanunniken
ingeblikt gedachte
maar nu al woest uitslaande
Doverse Witkopje bezit.

Het Doverse Witkopje is alle spijs omdraaiende medogenloos:

het vult hem onmachtig
het rekt hem onwillig
de slaafse krachtenmond,
de slappe huigpotentie
met spraak & talmend taalgelik
in niets van hem geheel & al
toch overlopend dáár te zinderen.

De ogen halfwit
in het grauwe purper
van het populair verGIFte
gelaatsvel wegggedraaid

als Ware het dat van een met After Effects gecoloriseerde derderangsduitser
onder de acteurs van het vierde seizoen van Heroes, trillend
als een wufte rosse bij het prononceren
van de woordjes bifidus activia, zo

vervalt de zanger wederom de door mystieken verzochte
maar opaards kapitaal vervloekte vlucht in
van het bovenzinnelijk geprevel
bij de Vuurrode Spuug- & Hemelmond.

Mmm

mmMMMEUH

mEUH

M.O.N.I.D.V.L.D.**

 

* *
*

 

Satz B.

de bevrijde geest verpulvert het gewetene tot lijst
& biedt het kopje een weids kwetteren
als betrof het een rozhdestvensky uitvoering
van shostakovich´ Derde


de ongehinderde Geest*
springt het woord
dat woord wasbij
op
de

in-
springende regel:

“hier, zo davert hij zich in den stenen
vloer van importantie] [...] [..] [.],

“mijn uitgereikte handkommetje ((((((((((((((

waarin Jij”- de verheven hemeltekenstem sist
nu toch al in vellen slijm & vette rafels
langs de wanden af ter vlugge
bedekking van de lang niet meer zo talrijke
ongeschonden exemplaren engelenvlees -

“Je gewijde krampvingers )))))))))))))))
met het bevoelen belast
van de te ramen quota elan vital

in het wapperzog van de geopende poort
ter volle zaligmaking nog 1 maal klemmen kan:

GEDENK ONS MIJN ZOON, HOE WIJ
primordiaal de letters Zijner Naam pas
strikken kunnen wijl het Laatste Uur
haar voortgang kruipt & dan nog slechts
middels het rigiede excluderen
der storende verlokkingen van klankschalen
& de valselijk oorbindende ritmieken der
genotspatronen [untsoweiter: de scheiding
der divinale machten is helaas een al te langdurige vertoning voor de uitgeshopte & platgestreken jurk- of jukdragers in dit moedwillig
ontijdig gehouden ledenbestand.]

Kan vervolgens aanvangen ( afhankelijk van het aantal beschikbare stemmen):

  • het gesidder in de corpusculaire nexus
  • het jammeren der erfelijk belasten
  • de zegetocht der uitverkoren
  • het wangedrag der bestialen
  • de winstopnamen der wellustigen
  • het louterbergbeklimmen der martelaren
  • het bewieroken der vette potentaten
  • het insnijden der jongste slachtoffertjes
  • de uitbouw van het verzet
  • de fundering der nauwgezette onderzoeken
  • het onfeilbaarheidsbeginsel in zijn scherpste wieken
  • het aanspannen der vezels van de vierschaar
  • het vodje ruiken der bloedhonden aan het afgeworpen vodje der gezochte voortvluchtigen
  • het ijle kopstemmetje in de doodstrijd der gekruisigden [dolby]
  • het afstoffen der opgestelde LCD- & Plasma schermen
  • het opsouperen der pensioenen in de vakantieoorden
  • het aanspoelen (massaal) der bootvluchtelingenlijken
  • het verscherpen van het spreekverbod ter verdoezeling
  • het verhevigde aanwakkeren der angsten
  • het schuimbekkend ontkennen van enige medeschuldigheid
  • de cycli van nieuwe remediën met het denonceren van de vorige
  • het optimaliseren van de net-op-tijd-sterfte der producten
  • het promoten der rood-met-witte paddestoelen
  • het opwarmen der oude kliekjes haatcampagne en vernedering
  • het zich verstoppen achter het ijzeren masker van het humane
  • het allitererende schoonschrift, met rijm en spitsvondigheden
  • het huiselijk gekanker op de vergankelijkheid der oubolligheden
  • het aanschrijven der bankinstellingen om sponsoring
  • de experimenten met 3D & andere hoog-technologische visualisatietechnieken
  • het uitzetten der doelstellingen tussen & bovenop de uitgezette doelstellingen
  • het urenlange uitrafelen ( bij onstelpbaar verdriet) van de keukenhanddoeken
  • het aanvragen der bestekken ter voorlegging aan de geijkte subsidiekanalen
  • het verspreiden der geruststellende geruchten
  • het verspreiden der onrustbarende geruchten
  • het ontkrachten der geruchten door beter ruisende geruchten binnen de eertsgevormden
  • de genadeloze aanklachten in het wanhopige gezicht gespuwd van de moegetergde werkers
  • het stilzitten, solitair of in groep
  • het opnaaien der oude politica d.m.v. synex
  • het vingerwijzen der laatst-ingewekenen
  • het opspuiten der geestesverruimende opiumderivaten
  • het onbenut laten van de mogelijkheid tot een schier eindeloze verderzetting van de eenmaal aangevatte lijst

aldus de niet-temporele akt van het alomvattende & ongehinderde opwaarderen
die terzelfdertijd (?) een creatuur is van de creativiteit als haar (?) voorwaarde.

Finaal: het Doverse Witkopje kan men dus in één volle mannenhand makkelijk met vleugel & borstje & hoofdje omvatten, & aldus geblindeerd als een bolletje van de klippen keilen: het zal quasi onmiddelijk die unieke fladderbewegingen maken die het in de strakke wisselwinden opwaarts brengt, & veilig in de hoge lucht te zaligkwetteren.


(dv, uit Izeganz, of Het Pad van de Wenende Nacht, een illegale Patch voor het
Zangezi programma van Velemir Chlebnikov, Moskou 1922)

———————————————————-

*** Dover? Whitehead is in Ramsgate geboren, da´s een heel andere ferry.

* unfettered mind, cfr. Alfred North Whitehead, Process and Reality – Corrected Edition, ISBN 0-02-934570-7, p. 31

** Menigeen Overigens Nog In De Veronderstelling Leefde Dat ? -apocriefe oerschriftinzage

**** avidja avenika dosa: (incorrecte transliteratie!) cfr Asanga’s MAHAYANASAMGRAHA uitgegeven door Etienne Lamotte, Tome II Fascicule I, Louvain 1938, p.17

Haasje liep het open veld op, waar hij de vertrouwde struiken kon zien, maar daar tussenin was er een ongewone sneeuwbank nu en uit het midden van de sneeuwbank stak er een hoogst merkwaardige zwarte stok die recht naar hem wees. Haasje hief het ene pootje hoog en boog zijn oor naar voren. Plotsklaps lichtte er een paar ogen op in de sneeuwbank. Ze zagen er niet uit als haasjesogen, ze rezen op uit de sneeuw als grote twinkelende gruwelsterren. Wiens ogen waren dat? Waren het de ogen van Mens? Of kwamen ze van het land van Grote Haas, waar hazen op mensen jaagden, waar Mens in vreze enkel ’s avonds zijn neus buiten zijn hol durfde steken, om zich dan naar de groentetuin te reppen, een paar takjes af te ritsen of een koolblad binnen te steken, maar zich dan onmiddellijk het vuur op het lijf haalt van de genadeloze schutters.
Natuurlijk, dacht Haasje, natuurlijk is ‘m dat, dat is Grote Haas, hij is gekomen om zijn kleine neefjes te redden uit de klauwen van Mens. Dus ik zou maar beter beginnen met de heilige ritus van het land.

Haasje huppelde ver de sneeuwvlakte op. Hij maakte elegante buitelingen in de lucht, sprong met uitgestrekte pootjes. Net dan begon de stok te bewegen. De sneeuwbank verschoof, deed een stap voorwaarts. Een paar verschrikkelijk blauwe ogen staarden hem aan over de sneeuw.
Ah, dacht Haasje, het is niet onze grote bevrijder. Het is Mens.

Zijn lijfje werd door angst bevangen. Hij bleef waar hij was, zijn hele lichaam trilde, tot het schot met een streep bloed hem het lijf in de lucht gooide.

Velimir Chlebnikov 1918 – losjes vertaald door dv uit het Engels van Collected Works of Velimir Khlebnikov.Volume II – Prose, Plays and Supersagas. Translated by PaulSchmidt, ed. by Ronald Vroon – ISBN 0-674-14046-X, blz.100-102

Niemand zal ontkennen dat ik jullie Planeet Aarde aan mijn pink draag.

Omdat ik een vredelievend mens ben, ben ik vastbesloten om de gevatte frase “Kop eraf” om te vormen naar het niet minder gevatte “Snor eraf” en het gelijkstellen van stemmen met kanonnenvuur bekijk ik eerder sceptisch, een electoraat dat stemt bij geweerschot in de lucht: het is moeilijk missen als je naar de hemel mikt en dat maakt het inderdaad wel een goede stembus. De Kozakken tegen de slechterikken, de bazen. Ik herinner mij de verschrikkelijke doorbraak bij het fort, toen er slechts twee aanvallers waren uitgeschakeld, en de slaperige verdedigers verhieven hun stem met een nieuwe strijdkreet – “Vanka, ze schieten op ons!”- en ze grabbelden hun geweren en sloegen de aanval succesvol af.

Eén slachtoffer was er toch, met een wonde in het gezicht en die stierf, en de wagenmenner van de dood, een gewone taxichauffeur met een kromme rug en een witte vlag, voerde hem af naar de dodenstad, de lijkkist dwars op zijn kar – en daarnet nog zat hij met ons te lachen.

“Ptaoing” zongen de kogels boven je hoofd elke keer als je je buiten vertoonde. Jonge mannen liepen er rond met omzwachtelde handen in roodbelijnde vesten met gele strepen op hun broeken. Hun gezichten verlevendigden de lege straten als je opkeek van de poort. Eén dokter zat er al kwartier lang in de sneeuw, onder vuur genomen vanaf de omheining,nadat hij zo slim was geweest om een lucifer aan te steken en te roepen ” Wie is er daar?”. Hij was erg verkouden.
Een militante klerk, lang met bruinig haar en het gele lint van de overwinning in zijn knoopsgat, liep door de straten met een vuurwapen in zijn armen.

Het was een spelletje voor de mannen van de loopgraven, een wolkje oorlog dat ze als speleding hadden meegebracht van het front. Ik wist best dat een enkele Kaukasiche bergbewoner, wanneer die in woede ontstoken de taverne uitstoof, méér lijken achter zich zou laten dan deze oorlog overdag. Hoedanook, twee tegenstanders hadden het berenvel in twee gescheurd; twee soldaten dansten op het lijk van een plaatselijke bewoner. Ik wist dat het niet lang meer zou duren vooraleer ze het eens zouden worden. Vooral daar een derde gast aan de witte muren van de stad te kloppen stond – De Pest. Voor de derde keer stond die te roepen “Laat mij erin!”. In ieder geval hadden jullie allemaal genoeg eekhoorntjesvlees om er niet aan ten onder te gaan. Tataren, Bolsjevieken, en een groepje gevangenen hadden heel het fort ondergraven, en aan de klokkentorens van de twee kathedralen, de Russische en de Armeense, ontsproten zwarte nestjes machinegeweren. ´s Nachts beschoten ze elkaar onafgebroken, de echo´s van hun salvo´s sloegen dof in op de stenen spiegels van de stad. De stad loste op in die mistroostigheid. Spoorwegen sloegen oranje uit van de roest, publieke doema´s kwamen samen in de wandelgangen van het justitiepaleizen, hielden er gorgelende toespraken.

En toch was de stad mooi ’s nachts. Doodstil, zoals moslimdorpen, verlaten straten met stroken helder en donker in de hemel. De bedrading in mijn gloeilamp voerde een doodsdansje uit en stierf een zachte dood voor mijn ogen; nu zat ik in het donker. Ik verzon een nieuwe verlichtingsmethode: ik nam Flaubert´s Verleiding van de Heilige Antonius en las heel het boek blad per blad, scheurde het gelezene eruit en stak het in brand om bij het licht daarvan het volgende te lezen. Een menigte namen en godheden flitsten door mijn bewustzijn, verstoorden het nauwelijks, raakten sommige snaren en andere helemaal niet en uiteindelijk krulden al die overtuigingen, waarden en wijsheden van de Planeet Aarde weg in ritselende zwarte as. Toen ik ermee klaar was besefte ik dat ik voorbestemd geweest was om net dit te doen. De scherpe, witte rook van het offer omringde mij. Namen en religies brandden als droge twijgen. Magiërs, priesters, profeten, bezetenen – een mindere vangst in een net van ongeveer een duizend woorden (van de mensheid, haar golven en dimensies) -zij allen waren een bundel twijgen in de handen van een wrede offermeester(R:starets?).

Het verbaasde mij dat Diana zich in walmen en fantasiën wou wentelen.

Het deed mij stilletjes deugd dat de Boeddha een expert bleek in het berekenen der atomen.

En alles samen – in de dagen dat waanzinnige fantasie de stadsgrenzen invadeerde, toen de ploeger en de ruiter vochten voor de lichamen van de stadsmensen, toen Poegachevs woeste ha-ha weergalmde bij de lentemonding van de de Volga – vormde de hoogst instructieve zwarte asse van de derde zwarte roos. De namen van Jesus Christus, Mohammed en Boeddha trilden in de vlammen als de schaapshuid die ik offerde aan het jaar 1918. Als kiezelsteentjes in een transparante golf rolden deze afgesleten namen van mensenfeiten en -fantasiën door Flaubert´s afgemeten cadenzen en verdwenen.

De rook omringde mij. Ik ademde gemakkelijker,vrijer.

Dat was op 26 januari 1918.

Gedurende lange tijd had ik gepoogd dat boek te vermijden, maar zijn horde van mysterieuze klanken vonden een geborgen plaatsje op mijn bureau, en bleef daar tot mijn afgrijzen lang liggen, bedolven onder andere dingen. Alleen toen ik het tot asse had herleid en ik een plotse innerlijke vrede ervoer, begreep ik dat het in zekere zin mijn vijand was geweest.

Ik herinnerde mij hoe sommige dingen een bepaald charme bezaten, dingen die wij prezen, dingen vol waren van de conversatie van iemand die ons dierbaar was, en hoe dan uiteindelijk de tijd komt dat dat plots verdampt, sterft, leeg wordt.

Ik raaakte ervan overtuigd dat dat soort dingen een resonantie bezaten, die onze rede niet kon vatten. Op deze wijze: de mysterieuze klank dat zij omvatten riep een corresponderende vibratie op in onszelf.

En voorafgaand, een paar dagen vóór dat dit gebeurde, had ik met grote trots mijn schedel bewonderd, hem vergelijkende met die van een chimpansee, met dat verhoogde voorhoofd en die vervaarlijke tanden. Ik was vervuld van trots op mijn soort. Hebt u dat ooit ook gevoeld?

Velimir Chlebnikov 1918 – losjes vertaald door dv uit het Engels van Collected Works of Velimir Khlebnokov.Volume II – Prose, Plays and Supersagas. Translated by PaulSchmidt, ed. by Ronald Vroon – ISBN 0-674-14046-X, blz.100-102

Characters:

Voice of Sight
Voice of Hearing
Voice of Reason
Voice of Thought
Voice of Recollection
Voice of Conjecture
Voice of Will
Voice of Joy